Kolet Janssen

auteur

Kerstverhaal – deel 2

19 december 2024

Deel 2 | Twee bolle buiken

Volgende week was het tijd om te vertrekken naar Betlehem. Mariam liep naar buurvrouw Elisheba, die nog een verre nicht van haar was. Eens kijken hoe zij het stelde. Op haar oude dag was ze nog zwanger geworden. Zij en haar man waren dolblij, maar Elisheba’s voeten zwollen op en ze kon wel wat hulp gebruiken. Je kon trouwens beter bij Joesef uit de buurt blijven als hij zich zo druk maakte. Wat je dan ook deed of zei, het was olie op het vuur. Als ze hem met rust liet, zou het vanzelf wel weer overgaan. 

En ze moest er ook even uit. Een hele dag thuisblijven, dat hield Mariam niet uit.

Sommige vrouwen gaan nestelen als ze in verwachting zijn. Ze zijn voortdurend op zoek naar spulletjes om het thuis gezellig te maken. Ze haken kussens of borduren lakentjes, ze slepen potjes, vaasjes en lampjes naar huis, ze leggen de vloer vol tapijtjes. Zoals het kind maandenlang in hun buik woont, zo willen zij liefst van al ook tijdenlang in hun huis blijven. Koesteren en kneuteren als in een cocon.

Maar dat was niets voor Mariam. Zij was liever buiten. Ze hield van de wind die speelde met de plooien van haar rok en hoopte dat de baby dat voelde. Ze stak haar armen in de lucht en rende zo hard en vrij dat het leek alsof ze bijna kon vliegen. God woonde ook in haar. Het leven bruiste in haar, soms leek het alsof ze zou barsten. Ze wilde alles tegelijk en liefst meteen. Ze haalde diep adem en zong zo luid als ze kon. Zo huppelde ze met wapperende rokken naar Elisheba.

Elisheba keek haar scheef aan toen Mariam haar keuken binnenstapte. Ze vond het maar niks dat Mariam zo vrij en vrolijk rond paradeerde. ‘Mariam, met zo’n buik moet je niet te koop lopen’, mopperde ze. ‘Blijf liever binnen of sla een losse doek om je schouders. Het geeft geen pas om die buik zo onder ieders neus te steken!’ ‘Waarom niet?’, zei Mariam met haar neus omhoog.

‘Het is toch een mooie, bolle buik? Ik mag er toch fier op zijn? Iedereen mag het toch weten?

Kom met me mee, dan laten we ze twee bolle buiken zien! Dan kan niemand er nog naast kijken!’ Ze lachte klaterend. 

Elisheba schudde haar hoofd en steunde haar handen in haar rug. Mariam kneedde het deeg voor het brood, waar Elisheba mee bezig was. Al haar kracht en plezier stopte ze in het rollen, trekken en drukken, tot het helemaal luchtig en veerkrachtig was. Elisheba veegde met een tip van haar schort het meel van Mariams wangen.

Een dag later werd Elisheba’s baby geboren. Het was een jongetje en ze noemden hem Jochanan.

Nieuwe horizonten tegemoet

‘Ik wist niet dat de wereld zo groot was’, lachte Mariam. Ze waren op weg naar Betlehem, nog verder dan Jeruzalem. Mariam vond het heerlijk om onderweg te zijn. Weg uit het dorp, waar er altijd wel iemand was die met een scheve blik naar haar keek.

Ze wist best dat er geroddeld werd. Over haar en over het kind in haar buik. En over Joesef. Mariam was zo snel zwanger geweest dat de mensen het een beetje verdacht vonden. Ze waren nog niet eens echt getrouwd. Was dat kind wel van Joesef, hoorde ze hen denken. Van Mariam kon je van alles verwachten, en meestal niet veel goeds.

Over de manvrouw hadden zij tweeën niets verteld aan de anderen. Van sommige dingen wist je al van tevoren dat niemand het zou geloven. 

Niet dat het nieuw was dat er over haar gepraat werd. Ze hadden altijd al iets op haar aan te merken gehad. Dat ze te hard lachte of te veel vragen stelde. Dat ze te recht in hun ogen keek. En nu dit weer. Daarom vond ze het ook helemaal niet erg om naar Betlehem te reizen. Hoe meer ze van de wereld zag, hoe beter. Daar kon die buik van haar niets aan veranderen. 

Mariam durfde alles of toch bijna. Veel mensen dachten dat zoiets niet voor meisjes was. Dat meisjes liefst van al thuis waren, in een binnenkamer. Dat de grote wereld niets voor hen was.

Maar diep in hun hart waren alle meisjes vol verlangen, daar was Mariam zeker van.

Ze deden alleen alsof het niet zo was. Ze sloegen hun blik neer en zwegen. Ze oefenden dagenlang om er bedeesd en gedwee uit te zien. Maar ze zagen en ze hoorden alles. De vreemd klinkende taal van de koopman op de markt, de glanzende stoffen die hij verkocht, de heftige discussies van de mannen over de wet van God.

Als ze ’s avonds de koelte van het dak opzochten, keken ze naar de horizon. Niemand hoorde wat ze in hun hoofden schreeuwden, maar nooit hardop uitspraken. Hoe ze snakten naar meer, naar verder, naar anders. Daarom was het fijn om op reis te zijn, haar verlangen achterna. 

Op zoek naar onderdak

Overdag was het warm en ’s nachts was het koud. Het was echt wel ver naar Betlehem. Dat had Joesef al gezegd, maar ze had gedacht dat hij weer overdreef. Hij maakte zich altijd veel meer zorgen dan zij. Hij had gelijk: de wereld was groter dan zij zich ooit had kunnen indenken. Ook al was ze moe en zat haar buik in de weg als ze op de ezel zat, toch genoot ze van elke nieuwe verte. ’s Nachts sliepen ze meestal in de buurt van een paar andere reizigers, gewoon in een deken op de grond. Elke ochtend werden ze wakker van de vogels.

‘Kijk, daar is Betlehem’, wees een man die een eindje met hen meeliep. ‘Dan zijn we er voor de avond’, zei Joesef. Mariam hoorde de opluchting in zijn stem. En zelf was ze ook blij, want ze had sinds vanmiddag zo’n raar zeurderig gevoel in haar buik.

Toen ze in de stad kwamen, trokken er pijnscheuten door haar buik.

Eerst af en toe en niet al te heftig, maar geleidelijk aan steeds sneller en sterker. De baby wilde eruit, het was zijn tijd. Joesef werd zenuwachtig. Hij vroeg aan iedereen of ze ergens onderdak konden krijgen, maar niemand had plaats. Tenslotte legden ze hun spullen neer in een oude veestal, waar alleen nog een brave os stond. Hun ezeltje hield hem meteen gezelschap. 

Een godsgeschenk

Mariam sloot haar ogen en hurkte in het stro. Ze hoorde hoe Joesef wegging. Een kwartier of een uur later – ze kon door de pijngolven de tijd niet meer meten – was hij weer terug, met twee vrouwen in zijn kielzog. Die kwamen haar helpen. De gemene pijnscheuten in haar buik scheurden haar beetje bij beetje open. De baby baande zich een weg naar buiten, dwars door alles heen, zo leek het. Ze gilde en gromde en klampte zich vast aan het stro, aan de voederbak en aan Joesef.

De vrouwen wreven over haar rug en hielden haar vast als de pijn het ergst was. Ze zongen oude liedjes, in een ritme dat net zo bonkte als de pijn in haar buik. De ezel snoof onrustig. En het kind schoof en wrikte zich verder naar buiten, beetje bij beetje. Tot Mariam het dunne geluidje van een baby hoorde en ze wist dat het voorbij was. Doodmoe leunde ze achterover.

Ze stak haar handen uit en een van de vrouwen legde het kind erin.

Ze rook aan zijn halsje en ze snoof de geur op die ze nooit meer zou kunnen missen.

De baby rook een beetje naar haar, maar vooral naar zichzelf: een geur van water en adem, van leven en liefde. Met zijn mondje zocht hij naar haar borst en ze liet hem drinken. Een kind van God, had de manvrouw gezegd. Maar was niet elk kind een godsgeschenk? 

Mariam glimlachte voorzichtig. Ze zoende haar baby zachtjes op zijn hoofdje en fluisterde ‘Jesha’. Hij rimpelde zijn neusje en keek haar aan, met ogen zo diep als een waterput. Joesef stond erbij alsof hij niet goed wist wat te doen. Aarzelend begon hij de voederbak schoon te vegen en met stro te vullen. Toen de vrouwen klaar waren met het verzorgen van Mariam en Jesha, bedankte Joesef hen. Voordat ze de deur uitstapten, beloofden ze de volgende dag weer langs te komen.

Mariam zag het in hun ogen: ze hadden medelijden met haar omdat ze op zo’n armoedige plek een baby op de wereld had gezet.

Op reis en ver van huis! Toch was ze nog nooit zo gelukkig geweest.

Mariam dacht aan het mooie wiegje in hun huis in Nazaret. Het zou nog even duren voordat Jesha daarin zou kunnen slapen. Maar dat gaf niets, integendeel. Haar kind was een mens van onderweg. Niet iemand die geboren werd in een dorp en er de rest van zijn leven bleef wonen, tot aan zijn dood. Jesha zou van reizen houden, vanaf zijn allereerste dag. Wie meer gezien had, kon meer begrijpen, dacht Mariam. Ze was moe en Jesha ook. 

De voederbak met stro stond klaar, maar ze hield het kind liever dicht tegen zich aan. Ze sloot haar ogen, al duurde het nog lang voordat ze ook echt sliep. De warme baby tegen haar borst en de vreemde geluiden van de os en de ezel hielden haar wakker. Pas toen Joesef nog een extra deken over haar en het kind legde, liet ze alle geluiden los en viel ze in slaap.

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.