Kolet Janssen

auteur

Huisje spelen

26 november 2020

Ik functioneer niet bij chaos. Daar ben ik niet trots op, het is gewoon een feit. Zodra iemand in mijn huis begint de meubelen te verplaatsen of het tapijt op te rollen, word ik diepongelukkig. Ook al weet ik dat het allemaal weer in orde komt.

Verbouwen, herstellingen aan het dak of aan welke leidingen dan ook, behangen en schilderen, ja zelfs een grote schoonmaak tasten mijn vertrouwen in het bestaan aan. Ik voel een existentiële twijfel of deze bouwwerf, deze wilde opeenstapeling van mijn spullen ooit weer mijn oude, vertrouwde huis zal worden.

Bij elke vertraging van de werken – en die is er altijd – word ik bevestigd in mijn argwaan: dit komt nooit meer helemaal goed. Hoe wankel is immers het thuisgevoel, als het zo snel kan afgebroken worden door een raam uit de sponningen te halen of een laken over een kast te hangen?

Mijn huis weerstond de oorlog, een kleine aardbeving en een gasontploffing een straat verderop. Er vielen slechts enkele bakstenen van een gammele schoorsteen en er sneuvelde wat glas in de kelderramen. Toen een kaarsenhouder jaren geleden in brand schoot, stonden we er gelukkig bij en bleef de schade heel beperkt. Het is dus een sterk huis, dat wel tegen een stootje kan. En wij hebben tot nu toe geluk gehad. Maar toch. Het is sterker dan mezelf.

Zodra er werken beginnen in ons huis, ontwikkel ik een variant van het ‘ik-steek-mijn-kop-in-het-zand’-syndroom. Ik sluit de deur naar de plekken vol onrust en kabaal en doe zoveel mogelijk alsof er niets aan de hand is. Ik leg tochthonden voor spleten, schik de overvloed aan stoelen gezellig rond de tafel, plaats planten in alle hoeken en hang zelfs kerstversiering op, als het er de tijd van het jaar voor is. Ik ga soep koken of cake bakken. Ik probeer de chaos zoveel mogelijk te negeren en ga heel nadrukkelijk ‘huisje spelen’. Zo maak ik in een kleiner stukje van mijn huis opnieuw een nest.

Vaak denk ik aan mensen die op de vlucht moeten en niet meer dan een paar tassen met spullen kunnen meenemen. Onderweg zijn ze al het vertrouwde kwijt en lopen ze grote risico’s. Ook als ze ergens aankomen, is er lange tijd onzekerheid. Op foto’s zie ik weleens dat iemand in een hoek van een tent, in een overvolle zaal, in een schamele kamer, toch een stukje thuis probeert te maken met een familieportretje, een vaasje of een mooi gedrapeerde sjaal. Iemand die net als ik niet van chaos houdt, maar er middenin zit. Ik zou een heel slechte vluchteling zijn, dat staat vast.

Ik negeer de stelling en de hijskraan, de hamers en de boor, de vreemde mannen op mijn trap. Dit weekend ga ik gewoon mijn adventskrans zetten. Als ik hem kan vinden tenminste.

(Afb. van Edwin Hooper via Unsplash)

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.