Kolet Janssen

auteur

Mondmaskers

21 april 2020

Elke dag zie ik er meer rondwandelen op straat en ook in de media rukken ze op: de mondmaskers. Tot voor kort was het iets voor neurotische Chinezen, maar stilaan wordt het ons nieuwe normaal. Het zweet breekt me uit als ik me een dagelijks leven met mondmaskers probeer voor te stellen.

Ik pas niet in voorgevormde sjablonen en dat bedoel ik ditmaal letterlijk. Ik had ooit een fiets met handgrepen aan het stuur waarin vingerholtes waren aangebracht en daar kon ik amper mee fietsen. Mijn vingers pasten niet in de voorbestemde gleufjes en dus moest ik me vasthouden aan de ribbels daartussen en dat was nooit comfortabel. Hetzelfde had ik met een pollepel in mijn ouderlijk huis: als ik die vasthield zoals de vingerdeukjes voorhielden, morste ik de soep alle kanten uit. Mijn vingers staan niet op dezelfde afstand van elkaar als die van anderen. Hetzelfde geldt voor mijn oren en mijn neus. Als ik in onverdachte tijden een headset van een audioguide moest dragen in een museum, gleed dat ding altijd alle kanten uit. Nooit bleef het zitten in mijn oren, want de nochtans aanpasbare stripjes voor mijn hoofd waren steevast te groot of te klein.

Ik vrees dus al het ergste voor de mondmaskers. Waarschijnlijk gaan ze mijn halve bril bedekken, zodat ik adem onder mijn brillenglazen jaag en ik geen steek meer kan zien. Of ze knellen zo hard aan mijn oorschelpen dat ik van pijn aan niets anders meer kan denken.

Allemaal onbelangrijke klachten, denkt u wellicht terecht. Maar mondmaskers brengen nog andere problemen mee: hoe gaan we elkaar nog herkennen? Nu al heb ik grote moeite met mensen die een fietshelm dragen en me dan in volle vaart toewuiven. Zonder hun haarbos of het gebrek daaraan, zijn het voor mij vreemden. Wat gaat dat worden als ook nog de helft van hun gezicht achter een masker zit?

Je moet je ogen laten spreken, hoor je nu overal. Maar als je een bril draagt, is dat een mager advies. En wenkbrauwen heb ik eigenlijk nooit echt gehad, en het is een beetje laat om daar nu opeens mee te beginnen.

Maar het ergste is dat een hartverwarmend initiatief als ‘free hugs’ radicaal de nek wordt omgedraaid. Hoe fijn was het om zelfs volkomen vreemde mensen even te knuffelen, om te voelen hoe we allemaal armen en schouders hebben die om en in elkaar passen. Het was de basis voor goodwill op zovele vlakken.

Ik neem me voor om – nu het nog zin heeft – elke dag lipstick te dragen. Wie weet wordt ‘je mondmasker voor iemand afdoen’ ooit een gebaar met een erotische lading. Het wordt oefenen om die kunst volledig onder de knie te krijgen.

(Afb. van Anna Shvets via Pexels)

Een reactie op “Mondmaskers”

  1. Tony Verbeeck schreef:

    Ik heb meer dan 15 mondmaskers zelf genaaid met mijn naaimachiene, vanuit een patroon dat ik vond op het internet. 15 is niet erg veel zou je zo zeggen. Maar laten we even rekenen. Twee lapjes stof van 20 cm X 20 cm dat zijn 30 lapjes. 4 zelf gemaakte linten van 40 X aan elk mondmasker. Dat zijn 60 linten of 24 meter lint. Samen geeft dat 30 + 60 + 15 = 105 onderdelen. En dat is toch wel een hele klos om het te naaien.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.