Kolet Janssen

auteur

Vogeltje gij zijt gevangen

16 juni 2020

Mijn moeder zit gevangen. Ook al heeft ze niets misdaan, of toch niet meer dan anders. Twee dagen voor haar 93ste verjaardag was ik haar nog gaan opzoeken, en ’s anderendaags ging haar woonzorgcentrum radicaal op slot. Een straffe maatregel, maar wij gingen er toen nog van uit dat ze op die manier zeker veilig zou zijn. Dat bleek later een flagrante vergissing. Het voorlopige einde van de bezoekjes bracht wat extra rust en die was welkom. In de winterperiode konden we mijn moeder niet mee naar buiten nemen en vonden we slechts moeizaam een leuke invulling van onze bezoekjes. Een korte pauze van een paar weken, zo dachten we, was nog niet zo gek. In de lente konden we weer met haar gaan wandelen en dat was voor iedereen prettiger.

Het liep anders, zowel voor haar als voor ons. Wij bleken opeens zelf tot de risicoleeftijd gerekend te worden en werden op onze beurt afgesneden van kinderen en kleinzoon. Dat was even slikken. En in de telefoontjes met mijn moeder probeerden we met handen en voeten uit te leggen wat er aan de hand was. ‘Dat hebben we nog nooit meegemaakt’, zei ze telkens. Ze las het in de krant en zag het op het tv-journaal: winkels en scholen dicht, iedereen zoveel mogelijk binnen, mensen op anderhalve meter van elkaar.

Ze deed alsof ze het begreep, maar eiste dan wel dat ik toch tenminste de batterij van haar horloge liet vervangen. Dat ik het horloge niet kon ophalen en dat de winkels met batterijen dicht waren, geloofde ze maar half. En ze vond het helemaal te gek dat met Pasen zelfs de kerken dicht bleven. De wereld was nog meer dan vroeger een onbegrijpelijke plaats geworden.

Ze moest voortaan alleen op haar kamer eten en iedereen die daar binnenkwam, droeg handschoenen en een mondmasker. Je zou van minder in de war raken. Af en toe werd ze even ‘gelucht’ op de binnenplaats, op veilige afstand van de andere bewoners. Weken- en maandenlang sprak ze niemand behalve de verzorgers en ons aan de telefoon. De kaartclub, het bingogroepje, de breinamiddagen, de geheugentraining, de kine en de kapper, alles was afgelast. Haar dagen bracht ze door op haar kamer achter het raam in de zon, met haar hoofd in een boek met woordzoekers. Eenzame opsluiting, geen contact met medegevangen en op cel eten, heet zoiets voor gedetineerden.

Net toen ze in dat boek de laatste woordpuzzel had opgelost, mochten we weer op bezoek komen. Meer dan twee maanden na het laatste bezoek. We moesten, net als in de gevangenis, het bezoek een week van tevoren aanvragen. Ook lag er een formulier waarop we moesten verklaren dat we niet ziek waren en de regels zouden respecteren. We kregen een tijdsslot van 20 minuten. Daar zat ik dan met haar, elk aan de smalle kant van een lange tafel, met een plexischerm tussen ons in. Allebei met een mondmasker, dat we gelukkig mochten laten zakken toen we eenmaal zaten.

Mijn moeder huilde. ‘Was ik maar met onze papa kunnen meegaan’, zei ze niet voor het eerst. Het leven was niet meer leuk, nu er zo weinig te beleven viel. Ik probeerde haar wat op te peppen. Het ging nu langzaamaan weer de goede kant op: ze mocht weer eten in de leefruimte, op de nodige afstand. Er waren weer enkele activiteiten in kleinere groepjes. En zelfs de kapper startte weer op. Ze was niet ziek geweest, ondanks het feit dat er op haar campus 19 corona-overlijdens waren. Ze besefte het niet, maar ze was aan een groot gevaar ontsnapt. Er was angst en stress en onmacht geweest. Mensen die geen afscheid hadden kunnen nemen. Naar de pijn, de angst en de ongelooflijke inzet bij het personeel kan ik alleen maar raden, met een hart vol respect.

Toen onze tijd om was, vertelde ik haar dat er een nieuw boek met woordzoekers aankwam. Net als in de gevangenis, mocht ik dat niet zelf overhandigen. Het lag klaar bij het onthaal en ze zou het krijgen zodra het kon. Ik zwaaide haar uit en ging in mijn eentje naar het kerkhof, naar het graf van mijn vader, om een paar bloemetjes te planten. Een mol had de aarde van het kleine plantenvak in de grafsteen omgewoeld. Daar lachte ik samen met mijn vader hartelijk om. Heel zijn leven was de mol zijn aartsvijand in ons gazon geweest, en nu achtervolgde hij hem nog na zijn dood. Heel even had ik het gevoel dat mijn vader onder zijn steen vrijer was dan mijn moeder in haar kamer. ‘Vogeltje, gij zijt gevangen’, zong mijn moeder vroeger. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat haar laatste maanden en jaren wat vrijer kunnen zijn dan vandaag.

(Elisabethblog juni 2020, afb. van Dimitris Vetsikas via Pixabay)

3 reacties op “Vogeltje gij zijt gevangen”

  1. Plasmans Frida schreef:

    Hoe herkenbaar!
    Mijn moeder (96) verblijft ( gelukkig?) nog thuis. Zij lijkt te snappen waar het om gaat , maar vroeg ook om met haar bril naar de optieker te gaan…..;bekloeg zich over het feit dat “er met geld gesmost wordt” omdat de bejaardenhulp haar papieren schort telkens in de vuilbak wierp als haar werk gedaan was.Ze kon moeilijk begrijpen waarom de kinesiste niet meer langs kwam voor haar kinébeurten…..Gelukkig kan ze nu weer van wat versoepelingen genieten.

  2. Annemie Vanhooymissen schreef:

    De gevoelens van zeer veel mensen, zowel het niet kunnen begrijpen van de ( licht of zwaar) dementerende mensen, als de onmacht van hen die deze mensen nabij willen zijn , worden hier zeer treffend verwoord! En die herkenning werkt ook wat troostend.

  3. Marie Van Minnebruggen schreef:

    Deze tekst schreef ik vorige week. Ik stuur hem even door, omdat jouw verhaal zo herkenbaar is!
    Mag ik even iets vertellen over mijn moeder, 92 jaar en wonende in een serviceflat die deel uitmaakt van een WZC?
    Ze kookt haar eigen potje nog, eet 3x per dag alleen in haar flatje. Op zondag gunt ze het zichzelf in het ‘restaurant’ van het WZC te eten. Ze wast en strijkt nog zelf. Tot voor corona-tijd deed ze haar dagelijkse uitstapjes: boodschapjes met gebruik van haar rollator: naar de bakker, de beenhouwer, het carrefourke in ’t dorp, de Aldi. Ze deed een wandelingetje door de naburige straten of ze ging buurten in het andere, nabijgelegen WZC waar meerdere mensen wonen die ze kent van vroeger. Op donderdag ging ik met haar de zwaardere boodschappen (water, aardappelen, …) doen, gingen we op de middag ergens een kleinigheidje eten, speelden we Rummikub, waste ik haar haar en zette ik krulspelden in. Mijn 3 broers kwamen ook geregeld langs, mijn jongste broer werkt in de buurt en sprong bijna dagelijks even binnen of nam haar al eens een keertje mee naar zijn woning.
    Al 3 maanden nu is de leefwereld en zijn de sociale contacten van mijn moeder beperkt tot het WZC, een stapje buiten zetten mag niet meer. Ze woont op het gelijkvloers maar mag niet op haar eigen terrasje gaan zitten; ook al is er 4 meter tuin tussen haar terrasje en het pad dat rond het WZC loopt en is dat tuintje van het pad nu afgesloten met zo’n geweldige oranje plastieken draad/hek. Ze mag wel buiten op het gemeenschappelijk terras achter aan de cafetaria.
    Vanaf 15 juni kunnen we, mits 3 dagen vooraf een afspraak te maken, op een weekdag een uurtje op bezoek, in de cafetaria, op 2meter afstand van mekaar, met mondmasker op. Iets samen eten of drinken mag niet, iets afgeven of uitwisselen ook niet.
    Gelukkig hebben we contact kunnen houden via de telefoon en kunnen we op het gemeenschappelijk terras achteraan, dat is afgemaakt met een dubbele rij nadarhekken, van op +/-4m afstand een babbeltje doen. Goed dat het niet veel regende heel die periode want anders was dit al geen optie geweest.
    Mijn moeder zegt zelf: “ge moet geen afspraak maken om in de cafetaria te komen zitten, zulle, want met een mondmasker op versta ik toch niet wat ge zegt”. (mijn moeder hoort niet goed meer)
    Niet alle bewoners van de serviceflats zijn heel hulpbehoevend; er wonen verschillende echtparen die halverwege de 80 zijn, nog met de auto rijden of wandelen, mensen die dagelijks ‘op stap’ waren.
    Nu wordt er voor hen beslist. Ze behoren immers tot de meest kwetsbare bevolkingsgroep en moeten beschermd worden. En toch vraag ik me af: tegen welke prijs? Wordt het stilaan geen OVERbescherming?
    Een stem hebben deze mensen niet, niemand die hen wat vraagt, niemand die rekening houdt met hun noden. Ouderen die thuis wonen kunnen hun verjaardag vieren met hun kinderen op restaurant, mijn moeder vierde haar 92ste verjaardag alleen.
    Alles wat deze oudere mensen gezond houdt, wordt hen afgenomen: beweging, familie en sociale contacten. Wandelen kan nog in de gang van het WZC of rondjes lopen op het terras buiten. Contacten zijn uit den boze.
    Ook deze mensen lezen de krant, volgen het nieuws, …
    Ze horen dat er terug bezoek op de kamer toegelaten is en dat ze buiten mogen om op familiebezoek te gaan of een wandeling te maken. Neen, dit is niet waar! Elk WZC beslist autonoom en de schrik zit er goed in. Er zijn immers veel overlijdens geweest, en ook de WZC waar geen besmettingen geweest zijn, willen dit sowieso vermijden.
    De ‘goed nieuws show’ op TV en in de kranten ergert mij mateloos.
    ‘Iedereen mag terug alles’ (behalve een aantal uitzonderingen). We mogen de teugels wat vieren, zei Steven Van Gucht onlangs. Mijn vraag is dan: gaan we de groep mensen waartoe mijn moeder behoort nog heel de zomer (en de daaropvolgende maanden) binnen houden? Wanneer gaan deze mensen weer mogen deel uitmaken van de maatschappij en kunnen genieten van de kleine dingen die voor hen o zo belangrijk zijn: eens even onder de mensen komen, gezien worden, gehoord worden, ..
    Het is misschien een (te) straffe uitspraak, maar mijn moeder zit opgesloten in een gevangenis. Zo zie ik het op mijn ‘slechtste’ momenten. Het lijkt nog erger dan een gevangenis, want ze betaalt ook nog eens 1200 euro huur (zonder service!) voor haar flat.
    Terwijl ik dit neerschrijf, weet ik dat de WZC sterk onderbemand zijn en dat het personeel onderbetaald is, dat ze hun uiterste best doen en veel begrip opbrengen.
    Het moest me even van het hart.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.